Heb je het opgeschreven?

“Je was weer ver van huis”, zei mijn moeder bij de koffie. Ze luisterde elke week op zaterdagmiddag naar de radio. Ik was dan ergens in het land om te vertellen wat ik zag gebeuren op een voetbalveld. Ze was mijn meest trouwe luisteraar.

Een jaar voor haar overlijden, op hoge leeftijd, werd het ineens heel stil in haar kamertje. Ze luisterde nog wel maar zonder iets te horen, ze keek tv zonder te kijken. En raakte nu zelf ver van huis.

Mijn moeder die de dag plukte zoals we allemaal van plan zijn en dat maar steeds niet wil lukken. Die mij leerde dat het – hoe dan ook – altijd goed komt. Zij moest verder met haar leven in een verpleegtehuis. Beter gezegd, daar hield het leven voor haar op.

Haar persoonlijkheid en gevoel voor eigenwaarde verdween toen ze over de drempel stapte en de deur in het slot viel. Vanaf dat moment ging haar besef van tijd en plaats totaal verloren. Omkijken was uitgesloten en de toekomst bleef in nevelen gehuld. Dit kwam niet meer goed.

Bezoek

“Heb je het opgeschreven?”, vraagt een man, elke keer opnieuw als ik op bezoek ga bij mijn moeder. Hij kijkt me vol verwachting aan alsof hij erop rekent dat ik het ooit ook zal gaan doen. De gemeenschappelijke huiskamer is noodgedwongen de enige plek in het tehuis om bij elkaar te zitten. Intussen ben je onbedoeld veroordeeld tot de kommer en kwel van andere bewoners, die we tot de categorie van lotgenoten mogen rekenen.

Een tafeltje verder zit een man met zijn schipperspetje schuin op het hoofd. Hij kijkt me aan met lege ogen waarin de schittering ontbreekt. De schipper imiteert luidruchtig het geluid van een zware dieselmotor. Duwt een miniatuurbootje vooruit over het smyrna tafelkleed en meert aan bij de bloemenvaas. Die wankelt en geeft niet echt houvast. Het meerpaaltje sleept bij nader inzien, aan een gerafeld touwtje, in het kielzog van zijn bootje.

Ergens diep van binnen is er bij de man een sprankje van herinnering aan zijn werkzaam leven. Als schipper voer hij op volle zee, stond krachtig aan het stuurwiel van zijn visserskotter. Zoals hij daar nu zit, zo fragiel en vertederend. Alles wat hij ooit was lijkt zo onwerkelijk en vergeten. Voor de man zelf maakt dat niets meer uit. Want zijn beeld van de werkelijkheid is vertroebeld en onherkenbaar geworden.

Te laat

Deze mensen zijn ingehaald door het leven. Niet meer bewust van het eigen bestaan. Niets meer om te herinneren aan alle mooie dingen die er, op het kompas van het leven, echt toe hebben gedaan. De memorie is opgeborgen in hun rugzak maar zelfs die is hier van hen afgenomen.

Het kan iedereen gebeuren, zonder aanziens des persoons. Het verlies van menselijke waardigheid en de onvermijdelijke terugval in een verregaande staat van breekbaarheid. Overgeleverd aan de grillen van de tijd. Die confrontatie is keihard en onmenselijk tegelijk.

“Heb ik alles kunnen zeggen? Juist nu iedereen het hoort, behalve zij. Het is balanceren op een dunne lijn…Je weet maar nooit, ooit komt het moment dat ik jou niet meer kan zeggen wat ik denk. Straks is het te laat om te zeggen wat ik wou, wat ik voel. Daarom schrijf ik het maar op…” (Songtekst Diggy Dex)

Ik heb haar niet alles kunnen zeggen. Het was te laat. Heb het opgeschreven en voorgelezen. Maar toen was ze er niet meer. De radio doet er nu het zwijgen toe. Dit keer was ik niet meer zo ver van huis… Carpe diem, straks is het te laat…