Ome Henk

Zijn bourgondische inborst, ontspannen houding, zijn charisma, zijn onderhoudende manier van praten. Zijn postuur en zijn ondeugende blik, zijn ontspannen houding, zo cool en losjes. Het was deze optelsom, die hem de titel opleverde van pater familias.
Ome Henk, het onbetwiste boegbeeld, de knuffelbeer van de familie.

Zijn doordeweekse actieradius achter het stuur van zijn vrachtwagen zorgde voor een extra dimensie. Hij was eigen rijder met de vlam in de pijp. Ingegeven door zijn onafhankelijkheid, vrijheid en zelf gekozen zwervend bestaan voerde hij een geuzennaam die zijn opgebouwd imago nog meer kleur gaf, namelijk die van de zigeunerkoning: Koko Petalo.
Op de cabine van zijn vrachtwagen stonden de woorden: Trotse mensen verdwalen liever dan de weg te vragen.

Een quote van oud-staatsman Winston Churchill, een look-a-like van ome Henk. Dus niet andersom, om de juiste verhoudingen weer te geven.
Churchill was een verwoed sigarenroker en oom Henk pafte ook graag een bolknak, maar altijd uit eigen doos.

 

Familie
Ome Henk was absoluut de bindende factor. Op verjaardagen en andere familiebijeenkomsten was zijn indrukwekkende verschijning reden genoeg om de grote Genieter open te zetten. Hij liet ons samenzijn elke keer opnieuw uitgroeien tot een bijzonder festijn waarin onze banden verder werden verstevigd. Het familiegebeuren had de temperatuur van een warm bad en droeg bij aan sterke verwantschap. Zodat er een klimaat geschapen werd waarin ieder tot in lengte van dagen onvoorwaardelijk op elkaar kon rekenen.
Het wekt dan ook geen verbazing dat ome Henk met verve de rol van familie-Sinterklaas speelde. Om zijn schouders de sprei uit de conference van Toon Hermans: “Had een sprei om…had een sprei om…. En ik kende die sprei. En ik kende die, die was uit de voorkamer. Die lag altijd op tafel, je kon op zijn rug precies zien waar de asbak gestaan had.”

De sfeer bij onze familieavonden was doorgaans van dien aard dat niemand eigenlijk naar huis wilde. Zelfs het aanbreken van de dag in de vroege ochtenduren was geen reden om te vertrekken.

 

Na afloop van een bruiloft reed ome Henk achter het kersverse bruispaar aan, naar hun huis. Om een afzakkertje te nemen, want volgens familietraditie “gaan we nog niet naar huis, nog lange niet…” Hij zag de lichte paniek bij de bruidegom die de enveloppen in zijn kostuum voelde branden. Klaar om open gescheurd te worden en geld te tellen. Ome Henk wierp zich spontaan op als teller en was niet te beroerd om het bedrag af te ronden. De binnenzak van zijn eigen jas puilde altijd uit met stapels bankbiljetten. Een betaalpas was niet aan hem besteed. Digitaal was een vreemde taal die hij niet sprak en nooit wilde leren.

Slokje op
Ome Henk was het stralende middelpunt van onze belangstelling en genoot van zijn jenevertje, als spraakwatertje.

Vertelde dan met ongecensureerde humor en zalvende Brabantse tongval kostelijke verhalen die ons aan zijn lippen deden hangen. Zijn mening gooide hij op zo’n innemende manier op tafel dat je alles wel voor zoete koek moest aannemen. Het was de enige waarheid. Zijn standaarduitdrukking als het niet gaat zoals het moest gaan: een kleinigheidje blijf je houden…!
Je raakte in een flow waarin er geen zorgen waren over het verleden en geen angst voor wat komen gaat. Maar genieten van het moment.

Ome Henk ging nooit zitten, hij lag half onderuitgezakt in een stoel. Een dikke sigaar tussen zijn lippen in een kring van blauwe en grijze rookwolken.

Hij was de vrolijkheid zelve en benadrukte dat met een andere quote van zijn rookmaatje Churchill: Een pessimist ziet een probleem in elke mogelijkheid. Een optimist een mogelijkheid in elk probleem.

Hij gebruikte clichés om opnieuw drankje te nemen. “Op één been kan ik niet lopen en … nu zijn we er toch, morgen moeten we ervoor terug komen”.
Om vervolgens de inhoud van zijn glaasje zonder blikken of blozen of te slikken in zijn keelgat te kieperen. Een terugslagklep ontbrak. Aan het slot van het liedje stapte hij gewoon in zijn auto stapte en zakte onderuit in zijn zetel achter zijn stuur.
Zijn wagen waarover hij bij herhaling vertelde, dat het er eentje was met geblondeerde ramen.

Onze rakker reed in kennelijke staat met een slakkengangetje en nam de bochten vierkant. Natuurlijk kwam hij er altijd mee weg als hij werd aangehouden. Hij rekende zich in die staat tot heel langzaam verkeer. Met soms zo weinig snelheid dat hij dreigde achteruit te bollen.
Hij wond de sterke arm der wet om zijn vinger met zijn niet te weerleggen logica. In een moeiteloos aaneengeregen woordenstroom waar geen speld tussen te krijgen was. Waardoor je als het ware ongemerkt werd meegesleurd in het gevoel dat jij het hele kleine ventje was dat vermanend werd toegesproken door zijn eigen opa.

Strand
Eenzelfde tactiek paste ome Henk toe met parkeren, altijd met twee wielen op de stoep om geen stap te veel te hoeven doen. Hetzelfde pakkie-an was het met de rijtijden op de vrachtwagen. Die waren voor ome Henk met zo flexibel als het elastiek van zijn broek, dat mee rekte met de omvang van zijn imposante torso. Een vrachtje terugladen na een reguliere rit was een klus die hij nooit liet liggen. Dat was voor hem altijd “zwart” en daar pakte hij zijn wisselgeld.

De dagjes-uit naar het strand waren hilarisch. Ome Henk dumpte ons rucksichtslos, samen met tante Jo en vergezeld van alle attributen, ter hoogte van de voet van de duinovergang. Want hij weigerde categorisch zelf plaats te nemen in zo’n krakkemikkige klapstoel. Zijn huid zou tot in lengte van dagen volkomen naturel en wit blijven, verstoken van enig zonlicht.

 

Hij zocht op die dagen zijn eigen weg en deed zijn vaste rondje. Met zijn borreltje, als dagelijkse vitaminen, in zijn stamkroeg. Hij tankte de verschroeiende brandstof als een levenselixer. Aan het eind van de dag mochten we met onze roodverbrande tante weer instappen. De bulderende lach en schouderklop van ome Henk bevestigde onze vergissing, met zoveel onachtzaamheid, bloot te stellen aan de koperen ploert.

Opa
Hij was het prototype van de ultieme grootvader uit het grote prentenboek, die met een enkele blik de muitende meute tot de orde kon roepen en vooral te laten lachen.
Iedereen bij onze voetbalclub noemde hem opa.

Hij zorgde na afloop voor de chips en de roze koek. Ome Henk was er altijd met zijn lange leren jas en vliegeniershelm met oorkleppen. En ook toen al, met de onvermijdelijke sigaar. We roken de walm al op een afstand van een kilometer. Terwijl we met veel te grote broeken en shirts over de modderige natte zaterdagochtend-velden renden en de bal steeds zwaarder werd van de zompige grasmat.

Tijden veranderen, oom Henk werd een dagje ouder en deed een jasje uit. Reed nog op zijn fietsje naar de kroeg. Om het leven te vieren dat hij intussen ruimschoots had geleefd, maar dat hem zevenmijlslaarzen had ingehaald.
Hij nam het op de koop toe maar vond het allemaal een stuk minder gezellig. De sigaar had hij op doktersadvies afgezworen. Zijn familie zag hij mondjesmaat, allemaal in de ban van corona. Het was geen kleinigheidje meer, de onderlinge band was verdwenen. En oom Henk moest tenslotte ook de pijp aan Maarten geven.

Gelukkig hebben we de foto’s nog. Zwart-wit en aan de rafelranden bruin gekleurd door sigarenrook. Hij stond prominent op vrijwel elke bladzijde in het album. Dat wil zeggen, de foto was voor driekwart gevuld met oom Henk. De rest van het gezelschap stond ergens in zijn slagschaduw.
Opdat we nooit vergeten hoe gezelligheid er ooit heeft uitgezien.

 

Gepubliceerd op Metronieuws,
klik op de link en daarna rechtsboven op lezerscolumns

 

Pater familias

 

PS
Ome Henk was niet te weerstaan en bezat een weergaloos empathisch vermogen. Hij had iets wat ik krampachtig heb proberen te omschrijven.
Maar voor de goede en originele inzenders stel ik een prijs beschikbaar als zij de juiste ultieme typering weten te vinden…..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *